Wat ik tegen de spiegel zeg

Wat ik tegen de spiegel zeg

J. houdt van mij  I. houdt van
mij L. houdt - dat weet ik - 
van mij van mij   

Mijn moeder houdt van mij
zelfs mijn vader
na een lange weg

A. houdt van mij
dat had ik niet verwacht - 
en T. vast ook
al zie je iemand dan niet meer
je kunt wel van hem blijven 
houden

K. houdt van mij
als haar mooiste liefste vriend
waarmee ze nooit het bed
gedeeld heeft
zo trouw ze bleef
aan wat ze ooit had afgesproken

M. houdt van mij
voor hem spreekt dat vanzelf
zijn bloed is anders

Ik zeg het tegen de spiegel
en fluister: het zou fijn zijn als ook ikzelf - 
dat zou best kunnen

En ik hoop dat de man die naar me kijkt
hetzelfde voelt

als ik